Minister nuanceert fiscaal co-ouderschap: feitelijke situatie primeert
Een kind ten laste geeft recht op een verhoogde belastingvrije som in de personenbelasting.
-
Afbraak en heropbouw - formulieren
-
Interesten op uw spaarboekje tot € 1.020 niet belast voor aanslagjaren 2025-2030
In België is de interest op een gereglementeerde spaarrekening tot € 1.020 (inkomstenjaren 2024-2029) per belastingplichtige vrijgesteld van roerende voorheffing (rv).
-
In 2026 als bedrijfsleider iets meer huur vragen aan uw vennootschap
Verhuurt u als bedrijfsleider een gebouw aan uw eigen vennootschap dan worden de ontvangen huurgelden die onder een bepaalde grens blijven bij u privé belast als onroerend inkomen. De huur die boven die grens gaat, wordt bij u belast als bedrijfsleidersbezoldiging (beroepsinkomen).
Een kind ten laste geeft recht op een verhoogde belastingvrije som in de personenbelasting. Voor wie gehuwd of wettelijk samenwonend is, komt dit belastingvoordeel toe aan de ouder met het hoogste belastbaar inkomen. Zo de ouders niet meer samenwonen, komt het fiscaal voordeel louter en alleen toe aan de ouder van wiens gezin het kind deel uitmaakt op 1 januari van het aanslagjaar. Bij fiscaal co-ouderschap wordt het fiscaal voordeel over beide ouders verdeeld toe waarbij de huisvesting van het kind dan gespreid is over beide ouders, zoals blijkt uit een rechterlijke beslissing of een overeenkomst tussen de ouders.
Aan de minister van Financiën werd de vraag gesteld wat er gebeurt zo er een wijziging optreedt in de verdeling van de huisvesting doordat bv. het kind nog slechts bij één ouder woont. Volgens de minister primeert de werkelijkheid in dat geval. Als een ouder onomstotelijk aantoont dat er van een gelijkmatige huisvesting geen sprake meer is en bovendien bewijst dat het kind uitsluitend deel uitmaakt van zijn/haar gezin, dan kan het fiscaal voordeel voor het kind volgens de minister volledig aan deze ouder worden toegekend, ook al vraagt de andere ouder de toepassing van de fiscale co-ouderschapsregeling (Vr. en Antw. Kamer 2021-22, nr. 55-081, 134).